
|

 |
Jacob Boehme (1575-1624)
Teutoons filosoof, maar ook krachtige loot aan Christus’ stam.
Jacob Boehme, in de loop der eeuwen bekend geworden als ‘de Teutoonse filosoof’, de magistrale denker die vorsten, geleerden, kunstenaars en talloze anderen al eeuwenlang met zijn geschriften weet te inspireren, zal door de uiterst serieuze spirituele zoeker naar diep-innerlijke wijsheid en vernieuwing toch vooral herkend worden als ‘broeder in de éénmakende kracht van Christus’. Als geen ander immers heeft deze zo wonderlijk begaafde Boehme de mensheid via diezelfde talrijke geschriften zijn ervaring, dat eenieder in zijn diepste kern één is in Christus, kenbaar gemaakt. Christus, geen vage persoon in een verafgelegen hemel, doch de benaming van de heiligende, oftewel heelmakende kracht, gelegen in eenieders hart. Die door elk mens gevonden kan worden, los van welke autoriteit, geschrift of institutie dan ook.
Met name door de verkondiging van deze hermetische kerngedachte over Christus als autonome krachtwerkzaamheid, is Boehme’s leven uiterst stormachtig verlopen, hoewel aanvankelijk in het begin weinig hierop wees. Zo wordt Jacob Boehme in de woelige tijd na Luthers reformatie (1517) en een halve eeuw voor de Dertigjarige oorlog (1618-1648) geboren te Altseidenberg, een dorpje ten zuiden van Görlitz (dicht bij de huidige Poolse grens). Zijn ouders waren zeer eenvoudig en zo ook het leven van de jonge Jacob, de vierde van vijf kinderen. Een gewoon doorsneeleven leidend, groeide hij vroom en ernstig op, kwam in een schoenmakerszaak als leerling terecht, trouwde en kreeg kinderen. Wat dit soort zaken betreft onderscheidde hij zich niet van zijn medemensen.Één ervaring uit zijn jeugd echter kan wellicht als voorbode van de latere ontwikkelingen beschouwd worden: ten tijde van zijn leerjaren in het schoenmakersvak vertrouwt een ‘klant’ hem toe dat hij een man zal worden overwie de wereld zich zal verwonderen; dat hij veel nood, armoe, lijden en vervolging zal moeten doorstaan, maar dat hij standvastig moet blijven, omdat God hem bemint en hem genadig is. Sinds die ervaring is Jacob veranderd; hij is ernstiger en opmerkzamer geworden.
Wat hem echter wel onderscheidt van de andere mensen is het feit dat hij tot vier keer toe diep door het goddelijk Licht wordt aangeraakt. Zo beschrijft Boehme in zijn eerste werk dat hij in 1600 zo door het Licht werd getroffen dat hij ‘tot in de inwendigste grond’ of ‘tot het middelpunt der verborgen natuur’ kon kijken. Dit eerste werk, Aurora, raakt in 1613 zonder medeweten van Boehme in handen van de hoofdpredikant van Görlitz, Gregorius Richter. En hiermee begint de ‘oorlog’ tegen Boehme die tot na zijn dood zou duren. Boehme’s denkbeelden staan immers haaks op de gangbare religieuze overtuigingen uit die tijd. Zijn vrije bevindingen riepen de reactie op die elk mens die getuigenis geeft van levende Waarheid ten deel valt: verbanning, processen, vervolgingen, lastercampagnes, ja zelfs gevangenisstraf werd zijn deel. Niets van dit alles bleef hem bespaard. Bovendien werd ook nog eens publicatie van zijn geschriften verboden.
Zeven jaar houdt Boehme zich aan dit verbod, totdat hem door enkele vrienden verzocht wordt de wat duistere passages in Aurora toe te lichten. Hij verzamelt een kring van gelijkgestemde geesten om zich heen, door hem de ‘theosofische pinksterschool’ genoemd. Samen praten ze over Boehme’s geestelijke ervaringen. Zijn geschriften circuleren in kleine kring.
In 1619 wordt hij opnieuw door het Licht aangeraakt, en deze invloed is zo sterk dat hij het niet langer kan laten te schrijven. In de jaren die hem nog resten schrijft Boehme dertig boeken en meer dan honderd zendbrieven, bijna vierduizend pagina’s in totaal. Hij spreekt van een verborgen vuur dat in hem brandt, en over hoe moeilijk het is om het ervarene in woorden uit te drukken. En alleen aan het schrijven kan hij zich niet wijden: bij de verschijning van elk geschrift steekt er storm op. De ‘oorlog’ van Richter en zijn medeschriftgeleerden gaat onverminderd voort: verhoren, bedreigingen en smaad zijn Boehme’s deel.
Hoewel Boehme diep leed onder de vreselijke woede van de predikant, bleef hij zachtmoedig, wetende dat de tegenstand onontkoombaar en noodzakelijk was. Hij merkte op dat Richter door God werd gebruikt als drijfhamer om Boehme’s werk voort te drijven. Zijn lasteren is Boehme’s sterkte en groeien geweest. Daarom wenst Boehme hem Gods erbarmen. Tot na zijn dood in 1624 werd hij echter door de officiële predikanten genegeerd: een teraardebestelling en een preek werden in eerste instantie geweigerd; een overlijdensbericht niet eens afgeroepen. Maar naast alle smaad was er ook erkenning en herkenning. Tot aan het hof in Dresden werden Boehme’s geschriften gelezen. En hoewel Duitsland zijn werk officieel verbood, vonden zijn werken via andere landen hun weg. Met name in Amsterdam verschenen, dankzij de koopman Abraham Willemszoon van Beyerland, vele eerste drukken van zijn werk. Boehme’s invloed op de Westeuropese geest is voortaan niet meer weg te denken. Vorsten, geleerden, filosofen, theologen en esoterici hebben zich over zijn werk gebogen, hebben ervan geleerd, zijn er door beïnvloed. Onder hen beroemde namen als Leibniz, Spinoza, Hegel, Schopenhauer en Newton. Misschien dat Boehme zou moeten lachen als hij dat rijtje namen zou zien. Hij beschouwde zichzelf immers niet als leraar of prediker, of als een bijzonder iemand. Hij leefde heel nuchter in ‘goddelijke gave’, zijn bevindingen overdragend aan hen die er voor open stonden, om hen zo op het spoor van wedergeboorte in Christus te zetten. Een volkomen innerlijk gebeuren, hier-en-nu.
Titels van werken, uitgegeven door de Rozekruis- Pers
1. LEVEND IN DE EENVOUD VAN CHRISTUS - EEN BLOEMLEZING
2. OVER HET BOVENZINNELIJKE LEVEN
Titel over Boehme uitgegeven bij de Rozekruis Pers:
JACOB BOEHME, EEN BIOGRAFIE door Gerhard Wehr
|
|